Het kasteel van mijn hart.

 

Ik kijk in de verte en zie een adelaar door de lucht zweven, loerend naar alles onder hem. Hij heeft de oneindige horizon voor zich, omsloten in een strak blauwe lucht en een paar heldere zonnestralen. Slechts enkele wolkjes aan de lucht. Oneindige vrijheid. Hij vliegt over de uitgestreken groene landschappen, de kabbelende riviertjes en over de houten hutjes van het dorp. Nogmaals slaat hij zijn grandioze vleugels uit. Met zijn scherpe blik kijkt hij voor zich uit totdat een majestueus gebouw in zijn vizier komt. Hij vliegt vlak langs mij en ik voel de lucht haast trillen als hij voor een laatste keer zijn vleugels uitslaat. Hij strijkt neer op de torenhoge stenen muren van het fort naast mij. Het fort boven op de berg als een statig centraal punt, trots neerkijkend op de rest van de nederzetting. De adelaar steekt zijn snavel schuin omhoog de lucht in en lijkt tevreden om zich heen te kijken alsof hij zijn bestemming bereikt heeft. Even hupt hij nog een paar keer op en neer, spert zijn bek open waar een schrille maar warme roep uitkomt en dan lijkt hij zijn rust te hebben gevonden. 

 

Ik bestudeer de prachtige muren onder het grootse dier. Ze zijn zo gigantisch, zo sterk. Bedoeld om de mensen daarbinnen te beschermen en buitenstaanders weg te houden. Ik sta op de brug en kijk naar de gracht links naast mij. Het donkere water ligt stilletjes rondom het kasteel. Slechts enkele rimpelingen van de vliegjes en kikkers die de gok durven te wagen. Mij niet gezien. Het water is diep en heeft iets onheilspellends. Ik hoor het geluid van bewegend metaal en van krakend hout en zie dat de poort langzaam in beweging komt. Hoe verder de poort opengaat, hoe meer lawaai ik van binnen in het kasteel hoor. De metaalslagen van de smid, het gehinnik van paarden en het geluid van rollend geld. Ook de geur van vers gebakken brood komt mij steeds meer tegemoet, net zoals de geur van specerijen, hooi en de iets mindere geuren die bij het leven komen kijken. Een paard en wagen komt mij voorbij gesjeesd. De man op de kar spoort de paarden nog even extra aan om ze over de brug en poort te laten lopen, die ondertussen volledig gezakt is net naast mijn voeten. Ik stap opzij en de man begroet de wachter vrolijk. Langzaam strompel ik achter de wagen aan het kasteel binnen. Mijn ogen zijn zo druk met om zich heen kijken dat ik amper tijd heb om aan mijn voeten te denken. Met mijn hoofd schuin omhoog probeer ik zoveel mogelijk indrukken te laten doordringen. Ik zie hoe de gigantische hoge torens van het kasteel tegen de strakblauwe lucht afgeschilderd staan. Ik zie hardwerkende vrouwen die volle wasmanden aan de lijnen tussen de huizen aan het ophangen zijn, de mannen die de longen uit hun lijf roepen om zoveel mogelijk etenswaar te verkopen en de rondrennende kinderen achter kippen, honden of elkaar. Dan wordt mijn aandacht getrokken door het prachtige kasteel. Ik probeer te bedenken hoe het er van binnen uit zou zien; al die chique mensen in strakke jurken, de kamermeisjes, de kok, de enorme kamers met plafonds die een oneindigheid weg lijken te zijn. In het hart van het kasteel loopt de koningin rond. Ik beeld me in hoe ze vanuit een van de vele torenkamers over het hele gebied neer zou kunnen kijken. Hoe ze met een glimlach toekijkt naar alle vrolijke, schreeuwende en hard werkende mensen. De mensen die gelukkig zijn met alles wat ze hebben. Zelf struint ze eenzaam rond in haar charmante jurken in veel te grote lege kamers. Ook haar familie zal vast ergens rondlopen; de mensen die het dichts bij haar staan. Waarschijnlijk ook een van de weinige mensen waar ze veel contact mee zal hebben. Natuurlijk zijn er ook nog haar kamermeisjes, adviseurs en bedienden. Ook deze mensen zullen een bepaalde waarde voor haar hebben. Maar ergens moet ze zich vast eenzaam voelen. Een lichte treurigheid legt beslag op mijn gedachten. Ik kijk op, mijn ogen fijnknijpend tegen het felle zonlicht en zie wat bewegen bij de torenkamer. Een jonge vrouw haalt met haar handen een paar lange lokken uit haar gezicht. Haar sieraden weerkaatsen de sprankelende zonnestralen. Ze kijkt mij recht aan met helblauwe ogen die door recht mij heen lijken te kijken. Ik ril. Daar staat ze dan. Precies zoals ik mij had voorgesteld. Enerzijds kijkt ze met trots op haar mensen neer, maar ergens voel ik haast haar diepe verdriet en eenzaamheid. Het kasteel is op zo’n manier gebouwd dat het niet alleen haar mensen binnenhoudt, maar ook alle anderen buiten. Muren die voor niemand neer zullen gaan. Buitenstaanders zullen veel moeite moeten doen om haar ooit te bereiken – mocht dat überhaupt al mogelijk zijn. Het tweestrijdige van volledig beschermd zijn, veilig zijn, onaantastbaar zijn, maar ook compleet alleen.

 

“Welkom in het hart van het kasteel!” Ik schrik zo van de stem achter mij dat ik rechtop in mijn bed zit. Ik wrijf in mijn ogen en staar in het donker. ‘Welkom in het hart van het kasteel’, herhaal ik zacht. Ik schud mijn hoofd. “Nee..”, mompel ik, terwijl ik mijn hoofd weer op mijn kussen leg. “Welkom in het kasteel van mijn hart."

Reactie schrijven

Commentaren: 0