Loslaten is liefhebben.

 

“Je kunt het moeilijk loslaten, he?” 

 

Ik kijk op en zie haar liefkozende blik. Met haar hoofd een beetje schuin en haar haren wild op haar hoofd, lijkt ze een volledig overwerkte, doch zorgzame moeder. Haar iele lichaampje is vermoeid en ze staat nog net niet te trillen op haar benen. Een dik vest houdt haar warm, maar ondanks alles kijkt ze me doordringend en met bezorgde oogjes aan. Verward kijk ik terug. Hoe kon zij dat nou weten? Ik dacht echt dat ik het goed verborgen hield. Omdat mijn antwoord uitblijft, zakt haar blik naar de berg touwen die ik in mijn handen heb. Ze zitten volledig in de knoop en ik moet er als een gek aan hebben zitten trekken, zonder het door te hebben. Ze lacht naar me. ‘Ik kan er ook nooit mee stoppen, totdat ze uit elkaar zijn’. 

Ahhh, ja die rot dingen, daar had ze het over. 

 

Ik werp haar een scheve glimlach toe en geef de wirwar aan touwen nog een laatste ruk wanneer ze de ruimte verlaat. Ongemerkt laat ik een diepe zucht. Waarom probeer ik het eigenlijk nog? Wacht. Heb ik het nu over de warboel in mijn handen of over die in mijn hoofd? Een pot nat. Op dat moment hoor ik een bekende stem vanachter de deur. Er volgt vertrouwd gelach en een brandend verlangen laait op. Plots wordt het benauwd in het veel te kleine hokje. Mijn ademhaling wordt stokkerig en mijn hart versnelt. Binnen enkele seconden voel ik hem kloppen in mijn keel die steeds verder dicht gaat zitten. Met één hand grijp ik de tafel vast en de andere vliegt automatisch naar mijn voorhoofd. Ik slik de brok in mijn keel weg en haal diep adem. Resoluut zet ik mijn beiden benen stevig op de grond en met waterige ogen kijk ik vooruit in de verder lege ruimte. ‘Verdomme’, vormen mijn lippen geluidloos. Langzaam maar zeker voel ik woede opborrelen vanuit mijn tenen. Woede, frustratie, teleurstelling, machteloosheid en een ellendige hoeveelheid schuld. Ik voel de tranen branden, maar hoe graag ik ze ook wil laten gaan, ze vertikken het. Alsof zelfs mijn eigen tranen mij op mijn donder geven. Ik kan het maar niet loslaten, het lukt me niet. Maar ik zal wel moeten. 

 

Loslaten voelt als kwijtraken. Alsof jouw hand langzaam door de mijne glipt en ik nog net de laatste aanraking van je vingers voel. Alsof ik naar je toereik, maar er nooit kom. Alsof ik naar je wil schreeuwen, maar het muisstil blijft. En alsof je steeds verder wegdrijft, buiten mijn bereik. Van een afstand kijk ik toe hoe je je eigen ding doet. Kijk ik toe hoe je opbloeit.

 

Een wijs man zei ooit dat wanneer je een bloem mooi vindt, je deze plukt. Wanneer je van een bloem houdt, je deze laat staan. Je laat ‘m staan zodat de zon en de regen hem kunnen laten groeien, laten bloeien tot zijn volle potentieel. 

Pas wanneer je andermans geluk boven dat van jezelf kan plaatsen, dan weet je dat het echt is. Dat het echt was. En deze pijn is daar het volgende bewijs van. Maar dat is oké. 

 

Loslaten is niet verliezen. Loslaten is liefde die je een ander gunt te hebben. 

Ik heb je lief. Ik laat je los. 

 

 

 

Wil je me alsjeblieft eventjes stevig, heel stevig  … loslaten.  

 

 

Reactie schrijven

Commentaren: 0