Mini: eendagsvlieg


 

Een klein, oud, vermagerd vrouwtje doet de deur open. ‘Hi oma!’ ‘Erik, Linda, wat leuk jullie te zien.’ Dat is al het eerste moment van verbazing. Rond de kerstdagen een jaar geleden was er nog niks met haar aan de hand. Even vief en druk in de weer zoals altijd. Helaas is ze een week later ingestort, opgehaald door de ambulance en uiteindelijk zonder enige duidelijke verklaring terug naar huis gebracht. Sindsdien was niks aan haar meer hetzelfde en is ze enorm hard achteruitgegaan. Zo extreem zelfs dat we haar en haar spullen naar een verzorgingstehuis 250 km verderop van haar huis hebben moeten brengen. Het waren een lange 3 uur met haar op de achterbank van de auto; ze snapte niet goed wat er gebeurde. Na een weekend in de weer te zijn geweest, heb ik samen met paps haar en haar spulletjes in de nieuwe kamer geïnstalleerd en met veel pijn in mijn hart de deur achter ons dicht gedaan. Daar zat ze. Een onbekende omgeving, nieuwe mensen, vreemde spullen en een kamer die niet haar thuis was. Ik zal de verloren blik in haar ogen nooit vergeten op het moment dat ik mij nog even gauw omdraaide voordat ik de deur dicht deed. Dezelfde rilling als toen loopt nu opnieuw over mijn rug. 

 

De nieuwe omgeving heeft haar als persoon zo slecht nog niet gedaan, maar haar geheugen heeft haar flink in de steek gelaten sinds dat ze daar zit. Mijn oom vertelde dat hij haar een dagje mee uit had genomen en de volgende dag kon ze zich daar niks meer van herinneren. Vandaar de enorme verbazing toen ze allebei onze namen meteen goed had bij het openen van haar kamerdeurtje. Dit was de eerste keer dat ik haar weer zag en ik was er heilig van overtuigd geweest dat het daar al fout zou gaan. Blij verrast stap ik de ruimte binnen, schuif een extra stoel voor vaders en mezelf aan en ploffen neer. Oma heeft de tv aanstaan. ‘Wat kijkt u, oma?’ ‘WNL op zondag.’ Stilte. ‘Het is zondag, toch?’, fluistert ze er zachtjes achteraan. Ik glimlach liefelijk en knik eenmaal met mijn hoofd. En opnieuw valt er een ongemakkelijke stilte. Wat zeg je tegen iemand waarvan je weet dat ze het de volgende dag vergeten is? Daarnaast moeten we allebei schreeuwen als een stel idioten, want het lieve dametje weigert een gehoorapparaat in te doen (‘ik zit toch al hier, dan hoeft dat niet ook nog eens’, heb ik ooit eens voorbij horen komen). Pfoe, wat ziet ze er slecht uit, denk ik bij mezelf. Toen ik haar arm vasthield bij de begroeting, voelde ik al dat ik alleen maar botten vasthad. Ook haar gezichtje is compleet ingevallen. Ik probeer het naar papa te gebaren en hij geeft mij een soort van geruststellend gebaar terug dat dat al erg lang zo is. Ik kijk nog eens en tot mijn grote vreugde zie ik in haar ogen nog steeds diezelfde sprankeling als een jaar geleden. Ach, wat maakt het ook uit dat ze alles morgen weer vergeten is! Wat telt, is vandaag. In al mijn enthousiasme begin ik druk te vertellen (schreeuwen) over alles wat er in ons leven gaande is en oma luistert aandachtig. Hier en daar een knikje en een lachje. Ik zet nog een kopje koffie voor ons allemaal en de ochtend is nog best gezellig. Na een tijdje staat oma op en begint ze in haar kast te rommelen. Vier ogen kijken haar nieuwsgierig aan. Wat gaat dat gekke vrouwtje nou weer doen? Nadat ze wat in zichzelf heeft lopen brabbelen, haalt ze een paar schoenen eruit. Dan kijkt ze op. Lichtelijk verbaasd kijkt ze ons aan alsof ze was vergeten dat we er waren, maar ze herstelt zich zichtbaar snel. ‘Deze passen er beter bij’, mompelt ze terwijl ze terugloopt. Ze neemt plaats in haar inmiddels wat vertrouwdere stoel en wisselt van paar. ‘Mooi, oma! Zijn dat nieuwe schoenen?’ Ze kijkt waar het geluid vandaan komt en zodra ze mijn blik vindt, zegt ze met een klein lachje: 

 

‘Nee hoor, die heb ik al een dag.’