Mini: icetea green, alsjeblieft.


 

Om de zoveel maanden maken we er een groot feest van. We drinken te veel, we roken te veel en praten nog veel meer. We grijpen elke kans om ons anders te voelen. Misschien niet zozeer beter, maar wel anders. Als een stel onbenullige dansen we op elk mogelijk deuntje, elke plaat die de dj maar draaien wil. Zodra de alcohol onze vermoeide lichamen overneemt, maken we domme beslissingen. Die soort waarvan je weet dat je spijt krijgt, maar koppig en eigenwijs maak je ze toch. We laten ons verleiden en stappen in onze fantasiewereld. De realiteit? Ach, die komt morgen wel weer. Al hebben we dat liever ook niet. Het liefst zouden we voor eeuwig blijven dansen en zweven op onze roze wolkjes. De roze wolken die na een veel te korte nacht weer veranderen in onweersbuien. De prinsen op witte paarden worden weer de groene kikkers die nog gekust moeten worden en de vlinders fladderen weer nutteloos rond in onze buiken. Onze gesprekken vervagen als verre herinneringen en het gelach om onze eigen grappen, is de volgende dag alleen nog maar hoofdpijn. De werkelijkheid haalt ons in. En dat doet ie wel vaker. Want waarom stilstaan als vluchten zoveel leuker is? 

 

Terwijl onze benen in gedachten een sprint trekken naar de droomwereld, zitten we rustig aan een tafel in onze vaste kroeg. Vanaf de verhoging kunnen we alles en iedereen goed in de gaten houden. We kletsen heel wat af en lachen wat problemen weg. We bespreken alles van de laatste maanden, maar vooral wat er anders moet. Hier en daar stappen we naar buiten voor een stokje nicotine en vullen onze longen met stilte. We glimlachen naar elkaar en staren vervolgens naar de lucht. 

 

We weten het allebei dondersgoed, maar geen van ons heeft de vrouwelijke ballen om het uit te spreken. Totdat we ons zoveelste biertje willen bestellen, om 3 uur ’s middags. We hadden nog een hele avond voor de boeg, er zouden nog vrienden langs komen en het was verdorie gewoon een doordeweekse dag. Ik kijk van mijn vriendin tegenover mij, naar de ober en weer terug naar haar. Met een vragende blik kijkt ze me aan. Wat doen we onszelf toch steeds aan? We verzuipen onszelf in ons verdriet, maken onze longen nog zwarter dan onze gedachtes en lachen tot we buikpijn hebben, terwijl die niets is in verhouding tot wat we echt voelen. We praten hele nachten, maar zeggen eigenlijk niks. 

 

Ik lach. Ik lach om de woorden die ik mijzelf hoor zeggen en het voelt verdomd goed. De ober schrijft het op en kijkt haar aan. In een fractie van een seconden verandert het stomverbaasde gezicht in een glunderende glimlach. Ze knikt. “Doe mij er ook maar eentje.” 

 

De ijsklontjes rinkelen tegen de zijkant van het glas wanneer we lachend proosten. “Bah, wat walgelijk volwassen”, zegt ze. “Voelt goed, he?” Ze lacht. Meer bevestiging heb ik niet nodig.

 

“Proost!”